On-Nederlands Goed wil liever verkopen dan informeren

On-Nederlands Goed wil liever verkopen dan informeren

In de NTR-documentaire On-Nederlands Goed gaat 3FM-dj Michiel Veenstra op zoek naar de reden achter het toenemende succes van de Nederlandse popmuziek. De vragen die hij hierbij oproept blijven onbeantwoord: wat is eigenlijk Nederlands? Wat is goed?

Jaarlijks vindt in de vroege winter in Groningen het showcase-festival Eurosonic Noorderslag plaats. De conferentie annex muziekfestival dient ter promotie van Europese popmuziek. Naar eigen zeggen is Eurosonic Noorderslag ‘het belangrijkste platform voor Europese muziek en is voor veel acts een belangrijke stap geweest in hun internationale doorbraak.’ Voor Nederlandse muzikanten is het een uitgelezen gelegenheid om geboekt te worden in het buitenland.

Het plotselinge succes van Nederlandse bands op internationaal niveau was voor Veenstra de reden om dit jaar op Eurosonic Noorderslag te achterhalen hoe dit precies komt. Het resultaat is de docu On-Nederlands Goed. Interviews met zowel gevestigde als nieuwe Nederlandse muzikanten geven een indruk van de belevenis van deze vermeende toename in doorbraken, terwijl binnen- en buitenlandse journalisten en mediamensen de cultuurkritische en institutionele oorzaken proberen te ontrafelen. De interviews worden afgewisseld door live-optredens tijdens Eurosonic zelf.

Niet on-Nederlands willen heten, maar tegelijk niet Nederlands willen zijn

De titel On-Nederlands Goed legt het minderwaardigheidscomplex bloot dat we bang zijn dat ons kikkerlandje te klein is om de nodige kwaliteit voort te brengen om buiten de landsgrenzen mee te dingen. Dit minderwaardigheidscomplex wordt ook wel ‘cultural cringe’ genoemd, een term van de Australische schrijver Henry Lawson, die een trend zag van negatieve vergelijking van Australische kunst met het ‘beschaafdere’ Engeland. Jacco Gardner omschrijft het stigma in de documentaire aldus: ‘Nederlandse muziek is slecht en als het goed is, is het meteen niet Nederlands.’

De muzikanten in de documentaire, o.a. Caro Emerald, de Common Linnets, Dotan, Kensington en Hardwell, zetten zich stuk voor stuk af tegen het predicaat ‘on-Nederlands Goed’. Zij zien hun muziek liever als iets dat universeel en grensoverschrijdend is: als ze zelf hun eigen muziek mooi kunnen vinden, dan kunnen anderen er ook van genieten, ongeacht uit welke hoek van Europa je komt. Maar dat is makkelijk gezegd, gezien elke geïnterviewde muzikant een Engelse naam gebruikt, of in het Engels zingt. Meestal allebei.

Hoe klinkt een Nederlandse muzikant dan toch onderscheidend, als deze niet in het Nederlands zingt, of er een 'on-Nederlandse' aanpak op nahoudt? Veenstra laat het aan de Engelsen, zoals Jools Holland en enkele BBC-dj’s, om het onderscheidende karakter van onze muziek kritisch te onderbouwen, maar ze vallen terug op vaagheden en vleiende platitudes – als ze al een Nederlandse muzikant weten te noemen. Een Amerikaanse platenbons van Blaudzun noemt als criterium voor Blaudzuns kwaliteit zijn aantal bandleden op het podium: wel zeven stuks!

'Je weet wel, die onderscheidende muzikant die als iemand anders klinkt. De naam is me even ontschoten.'

De artistieke waarde van hoge verkoopcijfers

Wanneer Veenstra zegt dat ‘het goed gaat,’ met de popmuziek, bedoelt hij dat de export van Nederlandse muziek toeneemt. Volgens stichting Buma is de export tussen 2009 en 2012 verdubbeld. Buma maakt van meet af aan duidelijk dat het grootste deel is opgebracht door onze dj’s: een pijnlijk weetje dat Veenstra maar terloops erkent en in zijn argumenten verder negeert. Een recenter rapport van Buma laat zien dat deze groei in 2013 onveranderd doorzette: nog steeds is zo’n slordige 70% aan dance te danken. Ook André Rieu blijft een belangrijk exportproduct.

De Nederlandse muziekexport groeit gestaag, maar de cijfers tonen geen explosieve verrassing vanuit de pop/rocksector. Hoe Veenstra daarin toch een plotselinge succestrend ziet ontstaan, is onduidelijk.

De enige oorzakelijke verklaring in de documentaire komt van Atze de Vrieze van 3voor12, die de vermeende muzikale kwaliteiten onder andere toeschrijft aan de toename van ‘nieuwbouw-poppodia’ door heel Nederland, die dankzij uitstekende licht- en geluidsinstallaties bands in staat stellen om hun act op orde te krijgen. Evenzo verklaart Ilse DeLange hoe trots ze is op de volle Europese zalen, volgens haar dankzij de intensieve marketing in de nasleep van het Eurovisie Songfestival. Maar dat zegt allebei weinig over de muziek zelf.

'Gewoon goed,' en daarmee is de kous af

Al spreken de cijfers hem tegen, Veenstra komt tot de vanzelfsprekende, chauvinistische conclusie dat het goed gaat met Nederlandse muziek en dat dat het logische gevolg is van het harde werk van onderscheidende Nederlandse muzikanten. ‘Nederlands en gewoon goed,’ sluit Veenstra af.

Er begint een meritocratische cirkelredenering te ontstaan: omdat de muzikanten zo goed zijn, krijgen ze logischerwijs veel succes. Waarom ze zo goed zijn? Kijk naar het succes dat ze hebben! Want waarom is Kensington, dat komende november de Ziggo Dome vult, een sympathiek succesverhaal en Kane de punchline van een grap over kutbands? Ze verschillen weinig van elkaar: het zijn gitaarbands die vrij laat meeliften op een populair genre, respectievelijk de arena-rock in de traditie van U2 en Coldplay, en (post-)grunge.

On-Nederlands Goed negeert de vragen die het gaandeweg oproept. Na het kijken van dit schouderklopje van de Nederlandse popmuziekindustrie aan zichzelf, weet je niet of er een Nederlands muziekkarakter is en waarom het goed is. Het verkoopt nu vooral beter. Dat is geen beklijvend succes, maar een cynische kortetermijnvisie die muziek terugbrengt tot de afzet van een product.

Is de Nederlandse muzikant als de mislukte geoloog?

Wat is dan wél een typisch Nederlands muziekkarakter? Als het al bestaat, is het dan mogelijk het te duiden? En is het bovendien zinvol om het na te streven?

Zingen in het Nederlands is een goed begin. Het is geen vereiste en geen voorwaarde om in het Nederlands te zingen, maar het zingen in het Engels heeft flinke keerzijden. We zijn veelal geen native speakers: ons Engels klinkt nooit zo vloeiend, noch schrijven we het even kleurrijk. Onze gebrekkige beheersing is een voedingsbodem voor clichés en gaat ten koste van precisie en karakter – allemaal voor de droom van internationaal allure. Zelfs de kleinste lokale bands schrijven hun Facebooknieuwtjes in gebroken Engels voor een publiek bestaande uit niet meer dan welwillende familie en vrienden, in de hoop (of verwachting?) dat ze buiten ons taalgebied zullen doorbreken.

In W.F. Hermans’ roman Nooit Meer Slapen uit 1966 ontmoet de Nederlandse geoloog Alfred Issendorf een Amerikaanse muziekjournaliste. Zij vertelt hem de eigenaardigheid van Nederlandse bands die de Amerikaanse taal en cultuur imiteren.

‘En dan al die zielige jongens en meisjes die zich verenigen in jazzbandjes met de meest krankzinnige Engelse namen en dan Amerikaanse liedjes zingen met de meest krankzinnige accenten. Hipsters, beatniks, real gone guys. Ik vind het zo onuitsprekelijk treurig als ik die kinderen zich in het zweet zie werken alleen maar om iets te imiteren.‘

Haar betoog is een weerspiegeling op Alfreds eigen onmogelijke zoektocht naar meteorietenkraters in Noorwegen. Hij dwaalt te voet en zonder luchtfoto’s door een vreemd en onherbergzaam land. Geplaagd door slapeloosheid en onophoudelijke muggenbeten vindt hij het stoffelijk overschot van de enige vriend die hij er had. Wanneer er daadwerkelijk vlakbij een meteoriet inslaat, zijn Noorse geologen met luchtsteun vrijwel onmiddellijk ter plaatse. Alfred beseft dat hij zich nooit met de Noren heeft kunnen meten. Verslagen en eenmaal thuis aangekomen krijgt hij van zijn moeder een stukje meteoriet die ze ergens in een winkel voor hem heeft gekocht.

De Flevopolder is de hele wereld niet, maar dat is prima

Waarom zou het met de muziek inmiddels anders gesteld zijn? Ondanks Kensingtons succes in binnen- en buitenland, rijmt in ‘Streets’, een van hun grootste hits, in het refrein een driemaal herhaald ‘callin” met een driemaal herhaald ‘fallin”, om maar een voorbeeld te noemen. De bombastische, galmende rock is net zo banaal als de teksten die het begeleiden. En hoewel het voor ons misschien groots klinkt, zal het in het niet vallen in de Grote Wereld.

Het doet me denken aan de natuurdocumentaire De Nieuwe Wildernis en de manier waarop de Flevopolder met dezelfde grootsheid wordt gefilmd als de BBC de natuurrijkdom van de hele wereld vastlegde in Planet Earth. De ernst en bombarie rondom een kudde wilde paarden zakken als een soufflé ineen bij de eerste woorden van Harry Piekema. Er ligt een bepaalde wanhoop verborgen in die houding van opgeblazen, chauvinistische grootsheid. Ik zie liever een koe door een weiland glijden in Fanfare, platgetrapte bekertjes het Rotterdamse asfalt bedekken in De Marathon, of de scheve shots vanaf Friese dijken in De Wederopstanding van een Klootzak.

Zo is in goede muziek de inhoud onlosmakelijk verbonden met de vorm, al is deze op zichzelf onmogelijk ‘typisch Nederlands’. Net zoals de banale Engelse teksten van Kensington onvermijdelijk uitmonden in banale arena-rock, krijgt bijvoorbeeld Spinvis’ ‘Bagagedrager’ juist een eigen, dromerig, melancholiek muzikaal karakter door de passende Nederlandse teksten, zelfs al klinkt het hele album Spinvis op zijn beurt geïnspireerd door zowel Engelse als Amerikaanse lo-fi-muziek: Spinvis geeft er een geheel eigen draai aan. Het gebruik van ‘kattebel’ (een bestaand woord dat niet herkend wordt door mijn automatische spellingscontrole) in ‘Liefs uit Londen’ is op zich opmerkelijker dan het hele oeuvre van de Common Linnets. En de Jeugd van Tegenwoordig laat zien dat ook de Nederlandse taal rekbaar is.

Dat wil niet zeggen dat er een stabiel, Nederlands karakter bestaat, of dat we dat per se moeten vertolken. Hoe we een veranderende, meer diverse maatschappij verzoenen met onze nationale identiteit is evengoed eigen.

De luis in de pels is je beste vriend

En wanneer is muziek goed? De kwaliteit zou moeten worden vastgesteld door een overtuigende, kritische beschouwing, de blijvende populariteit en constante herwaardering – door constant in dialoog te gaan met onszelf. Michiel Veenstra en de PR-mensen in On-Nederlands Goed proberen ons vooral iets te verkopen. Dat is hun (toegegeven: noodzakelijke) werk, maar het biedt geen oplossing voor het kwaliteitsvraagstuk dat ze zelf opwerpen (en of het thuishoort op de publieke omroep is ook maar de vraag). Over een maand is de hype vergeten, net als de bijbehorende muziek. De scepsis van een criticus is dan het nodige tegengeluid voor wat vooral een kakofonie is van jubelende, maar uiteindelijk holle verkooppraatjes.

Ook critici maken zich schuldig aan die praatjes, zij het door gebrek aan tijd en ruimte, door (financiële) druk van buitenaf, of door gemakzucht. Op Noisey gaat Wietse Pottjewijd terecht in op de oorzaken van wat hij ziet als een toename van ‘extreem positieve verhalen’ die de plaats innemen van waar eens kritiek hoorde te staan. Er zouden nu tienmaal zoveel persvoorlichters als journalisten in het kleine muziekwereldje rondlopen en er is een leger aan gretige amateurs (zoals ik) die dankzij het internet hun mening kunnen laten horen en onbetaald alles schrijven om maar dichter bij de muziekwereld te komen.

Een moment van zelfreflectie voor de Nederlandse popmuziek had op geen beter moment kunnen komen en daarom is de misser van On-Nederlands Goed des te pijnlijker. Eurosonic Noorderslag kwam eerder al in het muzieknieuws door een geschil tussen Giel Beelen en Atze de Vrieze. De Vrieze won op het festival de ‘Pop Media Prijs’ voor zijn ‘liefdevolle’ muziekjournalistiek dit jaar. Of het terechte winst is of niet, Beelen liet zijn frustratie blijken in een bericht op Facebook, waarin hij De Vrieze hekelt om diens ‘zure verhalen’. De Vrieze reageerde in een banale, maar blijkbaar noodzakelijke open brief aan Beelen, waarin hij op zijn beurt opkomt voor muziekkritiek in het geheel. Hij wordt in de reacties bijgestaan door muziekjournalist Peter Bruyn, die Beelens functie ziet als voornamelijk promotioneel, waar De Vrieze daarentegen een ‘luis in de pels van de samenleving is en hoort te zijn.’

Een luis jeukt, maar een criticus schrijft vooral uit liefde voor het medium. Hun negativiteit draagt een onterecht stigma met zich mee: het is een noodzakelijk onderdeel van kwaliteitsgarantie en de poortwachter voor ons consumenten. Kritiek is één deel van een constructieve dialoog. Een azijnpisser zou niet zo betrokken kunnen schrijven over muziek als De Vrieze dat doet. Om maar de Amerikaanse muzieknestor Robert Christgau te citeren: ‘There will always be artists who think critics are nitpicking parasites and always be bizzers who think critics are naysaying snobs. But do the math, guys and dolls. You don’t review 14,000 albums — 9,000 of them positively, by the way — unless you’re having fun.’

Dit artikel is eerder in aangepaste vorm verschenen op De Schrijftafel, op 10 februari 2015.

Over Pim van den Berg

Geen spatiefouten, maar verder ook niks.

Utrecht https://twitter.com/bvdpim

Reacties