Holokitsch: is sentiment de belangrijkste leermeester?

Holokitsch: is sentiment de belangrijkste leermeester?

Is er ooit een Holocaustspeelfilm uitgebracht zonder achtervolgd te worden door dat eeuwige cliché 'de Holocaust is niet te filmen'? Het recente Son of Saul lijkt de uitzondering op de regel te zijn. De consensus van de internationale filmpers is lovend; in Nederland is er geen recensie met een score lager dan de vier sterren. Jan Bockting noemt in de Volkskrant Son of Saul 'de Holocaustfilm die nog gemaakt moest worden'.

Het Hongaarse Son of Saul, debuutfilm van regisseur László Nemes, valt rauw op je dak: zonder opsmuk, sentiment of melodramatische muziek. Son Auslander is een sonderkommando in Auschwitz. Deze (zelf ook) joodse gevangenen werkten in de gaskamers. Zij deden daar het vuile werk en straalden schijnveiligheid uit naar nieuwkomers. Sonderkommando's kochten daarvoor (ongeveer) vier maanden 'extra leven', totdat uiteindelijk ook zijzelf naar de gaskamers werden geleid.

Het is echter niet het verhaal waar Son of Saul de sterren mee binnensleept. Het is de rauwheid, het dicht op de huid zijn en de kleurloze tragiek zonder versiersels die de filmpers bejubelt.

Het is nogal een statement van Bockting: ‘de Holocaustfilm die nog gemaakt moest worden’. Hij heeft een punt, want bot gezegd, Holocaustfilms doen het vaak fout.

Een Holocaustfilm van maximaal tweeëneenhalf uur staat niet toe de omvang en schaal van al dat leed te vangen. De koude cijfers van de anonieme massa’s die naar hun dood werden geleid blijven vaak in de periferie van het verhaal, als een tragisch decor voor individuele helden die het noodlot wel wisten te keren (en dan nog vaak alleen voor zichzelf).

Geweldadige veiligheid

Dat is nog een te volgen keuze. Maar waar het hem vooral steekt is hoe vaak er op effect en emotie wordt gejaagd. Het overmatige gebruik van strijkorkesten en de slimme montagetrucjes lijken allemaal één doel na te streven: de Holocaust laten samenvallen met de emo-tv van RTL.

Wanneer de violen aanzwellen bij de misère van de gaskamers zegt het tegen ons "dit is tragisch; dit is dramatisch", maar het zegt nog meer "dit is niet echt; dit is veilig". Hoe vreemd is het dramamuziek nodig te achtten als emotionele zijwieltjes om het sentiment van dat soort verschrikkelijke scenes duidelijk te maken? Ook zonder die muziek begrijp ik, en naar ik vermoed eenieder, hoe tragisch en inktzwart deze bladzijden uit onze geschiedenis zijn.

In de Volkskrant schrijft televisierecensent Haro Kraak over het tweede seizoen van Fargo, de Netflix-serie: "niets is zo geruststellend als prachtig gefilmd buitensporig geweld, in de wetenschap dat het volledig is geënsceneerd". Hij sprak hier over bloedrood op maagdelijk witte sneeuw. Dit soort uitspraken werken bij mij altijd beter andersom: juist omdat het geënsceneerd is worden we gerustgesteld. Omdat het geënsceneerd geweld is kunnen we er gerust van 'genieten'. Fargo’s stilisme verbloemt realiteit. Het stilistische werpt een scherm tussen ons en wat wij zien.

Die afstand zorgt dat we op een veilige manier geraakt kunnen worden. Drama op afstand. Na de film kunnen wij weer uit dat zompige moeras stappen. Wij hebben de keuze ons het leed tijdelijk aan te meten, om het daarna weer naast ons neer te leggen. Is het ongepast om de Holocaust te reduceren tot een film om 'bij te grienen'?

De keer dat een Holocaustfilm duidelijk de grenzen van het sentiment met schrede pas overtrad was in The Book Thief. Brian Percival, recensent bij het Zuid-Afrikaanse Times Live, noemde de film treffend: ‘de Disneyficatie van de Holocaust’. Er was geen één scherp randje, geen enkel hoekje, zelfs ondanks zijn PG-13-rating. De kers in de appelmoes was de voice-over van Magere Hein.

De acceptatie van de tekortkoming

Son of Saul wordt geroemd om zijn ontbreken van emotioneel effectbejag. Maar om dit nou de eerste ‘succesvolle’ weergave van de Holocaust te noemen? Anderen is het naar mijn idee ook al gelukt. Time Blake Nelsons The Grey Zone komt aardig in de buurt (door sommigen ook vervloekt als ‘martelporno ’). En er zijn denk ik vooral aanknopingspunten tot verbetering uit misschien wel onverwachte hoek: een stripboek.

Dat een realistische weergave van de Holocaust toch niet kan is inderdaad een oneerlijk startpunt. De banaliteit zit hem wat mij betreft in dat elke snaar geraakt moet worden: de Hollywoodsaus is dik en druipt overal eroverheen. Daarom zou in de gedachte dat het toch niet goed kan ook berusting kunnen liggen: waarom zou je dan de realiteit proberen te omarmen? Als we het ons immers toch niet kunnen voorstellen?

Maus, een stripboek door de joodse Art Spiegelman over zijn vader in Auschwitz, omarmt de onmogelijkheid recht te doen aan de weergave van de Holocaust volledig. Spiegelman pent zijn vaders verhaal neer als een letterlijk kat-en-muisspel: de nazi’s zijn katten, de joden muizen en de Amerikanen honden. Dat contrast tussen kinderlijke onschuld en de gruwelijkheden van de Holocaust is een vorm van mediatie die zijn tekortkomingen accepteert en tegelijkertijd zijn sentiment versterkt, zonder terug te vallen zonder dat goedkope emotionele effectbejag. Het is een heel ander sentiment dan die vioolsalvo's bedoeld om ons over de grens en in het tranendal te duwen. Het allermooiste is nog dat Spiegelman ook zichzelf niet buiten schot houdt en bewust is van zijn gebrekkige interpretatie van wat zijn vader heeft meegemaakt: 'I mean, I can’t even make any sense out of my relationship with my father … How am I supossed to make any sense out of Auschwitz? … Of the Holocaust?'.

alt

Nogal wiedes, met die schedels

Het is wellicht te makkelijk om af te geven op de kitsch van Holocaustfilms. Het is zo'n controversieel onderwerp dat het onmogelijk is er recht aan te doen. Alsnog kan je dan zeggen: bij dit soort films heiligt het doel de middelen. Zolang wij maar niet vergeten dat dit nooit meer gebeurt. Shit, daar ben ik het heel erg mee eens. Alleen geloof ik niet dat dit de manier is.

Als een Holocaustfilm bedoeld is om ons te herinneren waarom iets is gebeurd, opdat het nooit weer gebeurt, is het verhaal van de dader net zo belangrijk als dat van de slachtoffer.

Holocaustfilms blijven doorgaans akelig stil over de motieven van de dader. En waarom zouden ze? Nazi's zijn de onbetwiste slechterik. De enige twee filmschurken waarvan je het publiek niet hoeft uit te leggen waarom ze slechte dingen doen zijn zombies en nazi's, zo luidt een oude Hollywoodwijsheid. In deze geniale sketch uit That Mitchell and Webb Look spelen de twee met dat cliché. Een nazi-officier vraagt zich hardop af of het niet zij zijn die de eigenlijke slechteriken zijn, wijzend naar de doodschedels op hun petten: "Are we the baddies?". Zulke duidelijke aanwijzingen roepen inderdaad de vraag op, waarom de nazi’s het zelf niet 'doorhadden', tenzij ze natuurlijk gewoon slecht waren. Dat verklaart alles.

Die redenatie maakt van nazi’s kwaadwillende tekenfilmkarikaturen die slecht doen omdat ze slecht zijn. Het houdt het idee in stand dat als je maar de slechte mensen vervangt door goede mensen, nare dingen niet gebeuren.

Die boodschap lijkt mooi en intuïtief ook juist. We moeten met z’n allen oppassen voor slechte mensen, die in het zwart gestoken door de straten marcheren onder banieren vol met doodshoofdemblemen. Als je het zo typeert is het eigenlijk niet eens een opgave. De Joodse schrijver Michel Rosen typeert deze opvatting over fascisme op zijn blog als volgt: "I sometimes fear that people might think that fascism arrives in fancy dress worn by grotesques and monsters as played out in endless re-runs of the nazis. Fascism arrives as your friend. It will restore your honour, make you feel proud, protect your house, give you a job, clean up the neighbourhood, remind you of how great you once were [...] It doesn't walk in saying, 'Our programme means militias, mass imprisonments, transportations, war and persecutions'"

Nazi's zijn geen Disneyschurken. Fascisme is inderdaad niet moeilijk te herkennen wanneer het al te laat is, wanneer persvrijheid wordt ingeperkt of een eenmanspartij zonder leden de grootste partij dreigt te worden… oh wacht.

Openstaan

In de documentaire Life Itself, over het leven van filmrecensent Roger Ebert, wordt hij geciteerd: "We're all born with a certain package. [...] We're kind of stuck inside that person, and the purpose of civilization and growth is to be able to reach out and empathize a little bit with other people. And for me, the movies are like a machine that generates empathy." Ik ben ervan overtuigd dat geen enkel medium zo emanciperend is als film. Het is een empathisch voertuig om eens anders naar de wereld te kijken.

Inleven en sympathiseren met het slachtoffer is makkelijk, maar met de dader? Dat willen we liever niet doen. Ik wil hier absoluut niet mee zeggen dat we moeten sympathiseren met de nazi's, zeker niet met de hoge heren die duizenden tot de gaskamers veroordeelden. Om Eberts citaat compleet te maken: "It lets you understand a bit more about different hopes, aspirations, dreams and fears." Dat er gewoon 'slechte mensen' zijn die 'slechte dingen' doen, dat gaat er bij mij niet in. Sommige mensen zullen wel denken: ‘Gadverdamme, wat een Gutmensch’. Ze hebben helemaal gelijk, ben ik bang.

Woensdag 18 november schoof Maarten van Rossem aan bij Pauw over de aanslagen in Parijs. Over de jongens, of knullen zoals Alexander Pechtold ze graag noemt, zei hij: “Je verandert de context. Je verandert het raamwerk. En brave Duitse politieagenten, die nooit iets verkeerd hebben gedaan […] veranderen in massamoordenaars aan het Oostfront. Om een pijnlijk voorbeeld te geven: wij pacificeren Celebes [Indonesië] en doodnormale, brave Nederlandse jongens schieten moeiteloos allerlei onschuldige mensen dood.” Niemand blijft altijd onschuldig.

Het zijn geen wereldkantelende inzichten die ik hier beschrijf. Kijk naar de terrorismedeskundigen die na de aanslagen in Parijs allemaal met hetzelfde verhaal aanschoven bij de praatprogramma’s: we moeten deze jongens leren begrijpen. Hannah Arendt, joodse filosofe en deskundige op het gebied van totalitaire regimes, sprak over ‘de verdrietige waarheid […] dat het meeste kwaad gedaan wordt door mensen die nooit nadenken of ze goed of kwaad zijn’. Arendt vond het engste aan ‘architect van de gaskamers’ Adolf Eichmann, zijn ‘normaalheid’: hij had niks weg van een massamoordenaar maar alles van een ambtenaar.

Maar het zeggen en het voelen zijn twee andere dingen. In dat speelveld is het dat we films nodig hebben. Om te zeggen dat iedereen gevoelig is om weer trots te voelen, dat iedereen kan afglijden en verschrikkelijke dingen kan doen.

Ik wil daarmee niet zeggen dat Holocaustfilms in hun huidige vorm niks bijdragen aan ons collectief geheugen. Son of Saul is een film die iedereen gezien moet hebben. Dat miljoenen Duitsers de Holocaust kunnen hebben laten gebeuren door achter een gek aan te lopen, een film daarover, die heb ik nog niet gezien. En dat zijn juist de soort films die wij nodig hebben om het nooit weer te laten gebeuren.

Reacties