HBO: Dat moet wel televisie zijn

HBO: Dat moet wel televisie zijn

Vaak zeg ik maar dat ik ‘mediastudies aan de universiteit’ heb gedaan om het simpel te houden. Als je aankomt met ‘Television and Cross-media Culture’ krijg je vaak blikken alsof het één van die studies is die je bij een kraslot wint.

Televisie als legitiem studieobject of kunstvorm gaat er bij sommigen moeilijk in; de noodzaak om het serieus te nemen en te bestuderen evenmin. Dat terwijl er nog nooit zoveel kwaliteitsseries en bingewatchers zijn geweest. Televisie is een serieuze kunstvorm. Het is jammer te moeten zien dat ik in de steek wordt gelaten door degene van wie ik de meeste steun verwacht: HBO is het oneens met mij.

Dezelfde HBO die de mensen The Sopranos, The Wire, Boardwalk Empire en Game of Thrones bracht en vooraan stond bij televisie loskoppelen van het televisiemeubel. Zo’n goede vriend, daar spreekt niemand kwaad over. Normaal gesproken dan.

Helaas keerde HBO vanaf 1996 bijna een decennium lang televisie de rug toe. Met hun slogan destijds “It’s Not TV. It’s HBO”, die het tot 2009 voerde, nam HBO afstand van zijn eigen medium. De slogan was niet alleen neerbuigend naar zijn eigen kweekvijver en leermeester, het verschool ook een impliciet minderwaardigheidscomplex over wat televisie is en kan zijn. HBO was daarmee een nestbevuiler.

Toch zou ik willen zeggen: “HBO, ik begrijp het”.

Televisie is maar een smerig woord

Wanneer televisie goed is, is het geen televisie meer. Vrienden van mij zeggen “ik kijk niet veel televisie”, “ik heb geen tv, want er is nooit wat op” en oververhitten tegelijkertijd hun laptops met gestreamde series op Netflix en televisieprogramma’s op Uitzending Gemist.

Voor hen is televisie voor simpele mensen met een caravan voor de deur die slaaf zijn aan zendtijden en om acht uur trouw het journaal kijken, om vervolgens door te zappen naar Linda de Mol, Adam zkt. Eva en Help, Mijn Moeder Is Nog Maagd.

Ergens is het te begrijpen. Ondanks de groeiende interesse van academici en critici blijft onze cultuur doordrenkt met het stigma dat televisie een lage cultuurvorm is. Hoewel televisie prima een eigen kunsttaal heeft en er genoeg televisieprogramma’s zijn die laten zien dat het wel een legitieme kunstvorm is, gaat dit artikel vooral over het sentiment waarom televisie dat niet zou kunnen zijn. Waarom denken we toch altijd zo snel aan pulp als we het woord televisie horen?

Het begon allemaal al in de jaren 50. De huisvrouw kreeg dankzij de technologische vooruitgang meer vrije tijd en dat zou weleens kunnen leiden tot een actiever leven buiten het huis. Rampspoed alom. Reclames voor televisies spoorden in die tijd mannen aan om voor hun vrouw een televisie in huis te halen, zodat ze na het schoonmaken fijn achter de buis kon kruipen. Televisiekijken werd daarmee een passieve en vrouwelijke bezigheid. En in het patriarchaat is natuurlijk niks zo erg als passief en vrouwelijk.

De tijden zijn inmiddels veranderd. Toch heeft televisie nog altijd de laakbare reputatie bagger bij mensen thuis te brengen: commerciële massacultuur, kunst met een kleine k, volksamusement. Het grootste succes (in kijkcijfers) van televisie werd ooit gelijktijdig neergesabeld door critici als het morele faillissement van het medium. We hebben het hier over Big Brother.

Toegegeven, op het eerste gezicht getuigen televisieprogramma’s als Big Brother, Utopia, Sterren Springen en Ik heb Het nog nooit gedaan niet van kunstzinnige genialiteit. Echter, de John de Mols en Ewout Genemansen van deze wereld weten heel goed waar ze mee bezig zijn en spreken feilloos de taal van het televisiepubliek.

Anderzijds is er een groeiende belangstelling van academici, voegen grote acteurs en regisseurs zich bij series, wordt het huidige televisielandschap aangeduid als de ‘Second Golden Age of Television’ dankzij series als Breaking Bad en Mad Men en is bingewatching een nieuwe jongerencultuur. Maar dan hebben we het vooral over televisieseries en niet de reguliere televisieprogrammering, de eerste lijkt zich maar moeilijk televisie te willen laten noemen en vooral te willen genieten van zijn voorkeurstatus.

Laagcultuur of hoogcultuur of eigenlijk allebei

Waar we hiermee te maken hebben is een splitsing in het televisieaanbod: de niet aan zendtijden gebonden, hoog aangeschreven en door recensenten als filmisch omschreven kwaliteitsseries die de ‘Second Golden Age of Television’ belichamen en de reguliere televisieprogrammering die daar ergens onder bungelt.

Naar mijn idee is het een stomme splitsing. Het zal je waarschijnlijk niet ontgaan zijn, maar kunst ontstaat niet zomaar. Alle kunst bouwt voort op het voorgaande. Kirby Ferguson vatte het treffend samen in zijn documentaire Everything is a Remix. Zijn conclusie: creativiteit druppelt zowel van boven als naar beneden.

Blockbusters worden nog weleens nagebootst in de hoop mee te liften op het succes of in de hoop voor de verkeerde film te worden aangezien door opa en oma. Echter, blockbusters hebben er ook een handje van mee te liften op het samenbrengen van de beste momenten uit exploitatiefilms.

Een goed voorbeeld van laatstgenoemde zijn Steven Spielbergs en George Lucas’ respectievelijk Indiana Jones- en Star Wars-films. Deze films zijn een samensmelting van fragmenten uit andere werken. Spielberg is schatplichtig aan de clichés van de avonturierfilms van de jaren 30 en Lucas heeft de cinematografie voor zijn ruimtegevechten letterlijk uit een aantal Tweede Wereldoorlogfilms nagebootst.

Creativiteit en innovatie druppelen net zo vaak van laag- naar hoogcultuur als andersom. Kan het één dan nog bestudeerd worden, of zelfs begrepen, zonder het andere in acht te nemen? Of gemaakt worden zonder voort te bouwen op wat anderen al hebben verkend? Wat is die scheiding tussen laag- en hoogcultuur dan nog waard? Een onnatuurlijke scheiding, lijkt mij.

Grappig genoeg duidt die tweesplitsing juist op een volwassenwording van een medium. Die opkomende dualiteit is een onderdeel van de waardering van een kunstvorm. Historicus Lawrence W. Levine wijdde in 1988 een heel boek aan de verschuiving van kunstwaardering: Highbrow/Lowbrow: The Emergence of Cultural Hierarchy in America.

Wat blijkt: jazz, dat nu voornamelijk geassocieerd wordt met de elite, werd vroeger gezien als een chaotisch ratjetoe uit de getto’s, enkel weggelegd voor de oren van de emotionele Afro-Amerikaan. En theater, opera, vaudeville en klassieke muziek waren vroeger veel dynamischer en inclusiever dan dat zij alleen ‘hoogcultuur’ waren. Vroeger draaiden mensen klassieke muziek alsof het R. Kelly was. Of zoals Levine het zelf zei: “Is the idea of a serious comparison of American musical and opera really so outrageous?” En dat dat idee niet absurd is blijkt wel, want vandaag de dag mag je best stellen dat Leonard Bernstein, de componist van West Side Story, of filmcomponisten als Rota en Morricone tot de grotere componisten van de 20e eeuw horen.

Om toch even bij de grotere broer van televisie te blijven: ook film heeft ooit zijn plaats moeten veroveren tussen gevestigde kunstvormen. Charlie Chaplin zei doodleuk: “Movies are a fad. Audiences really want to see live actors on a stage;” een voorspelling die wellicht ooit was uitgekomen, ware het niet dat vooral zijn films in de begindagen volle bioscoopzalen trokken. En zelfs de uitvinders van de film, de gebroeders Lumiére, hielden zich na hun uitvinding liever bezig met de kleurenfoto.

De waardering begon pas toen bijvoorbeeld George Méliès in 1912 liet zien dat film door slimme trucages de tekortkomingen van theater kon ontstijgen, of toen in 1915 D. W. Griffith met Birth of a Nation de kracht van een achtervolgingsscène met parallelle montage liet zien. Het is alleen jammer dat laatstgenoemde de Klu Klux Klan afbeeldt als een romantische groepering vol nobele helden.

Zulke films hebben een emanciperende werking en laten zien dat een tot dan weinig gerespecteerd medium wel degelijk zijn eigen taal heeft en waardering toekomt. Helaas worden zulke uitingen nog weleens weggezet als uitzonderingen die vooral op basis van andere kwaliteiten hun prestaties hebben bereikt. Zo zouden hoog aangeschreven films hun successen halen dankzij zich te spiegelen met literatuur of theaterstukken. Net als dat het tegenwoordig populair is om goede televisieseries als filmisch te beschrijven. Waarom kan televisie niet goed zijn omdat het televisie is?

Waar we nu staan

Wat dat betreft is er maar één simpele conclusie: nagenoeg elke kunstvorm moet eerst laagcultuur zijn eer het hoogcultuur kan worden en bovendien lijken wij maar weinig bereid te zijn om nieuwe mediavormen op hun eigen merites te beoordelen. Ergens is dat prima. Niemand begint bovenaan de ladder.

Toch zou het een beetje helpen dat wanneer iemand die ladder beklimt, diegene een helpende hand uitsteekt naar hen onderaan de ladder. Emancipatie werkt namelijk alleen als er geen verschil wordt gemaakt in de toekenning van waardering; het helpt dan niet wanneer iemand zich gretig die exclusieve positie toe-eigent. Nee, er moet juist benadrukt worden dat de verschillen niet zo groot zijn. Dus HBO: het is jullie gelukt. Jullie zijn een enorm stuwende kracht geweest in de emancipatie van televisie en wellicht één van de hoofdverantwoordelijken van de ‘Second Golden Age of Television’. In 2015 hoeven jullie je niet meer te schamen voor wat jullie zijn. Tijd om die misstap van jaren geleden recht te zetten.

Mag ik daarbij een suggestie doen voor jullie komende slogan? Bij dezen dan: “It’s HBO. It’s TV. That’s fine.”

Reacties