Alle kunst is altijd politiek

Beste Micha Wertheim, kunst is altijd politiek. Het kan alles verbeelden, maar nooit los van de werkelijkheid bestaan. Het is naïef om te geloven dat fictie in een vacuüm leeft, maar de behoefte is begrijpelijk.

Lees hier het oorspronkelijke betoog van Micha Wertheim over kunst en engagement.

Lang voordat links Amerika de deur openzette voor politiek op het podium en rechts Amerika er zo fel op reageerde, maakte Shakespeare zijn eigen werk historisch en politiek. Hij zoog Julius Caesar niet uit zijn duim, noch diens noodlot, noch het Romeinse rijk waar hij zo kort over heerste. De machtsstrubbelingen en -wisselingen in het stuk hebben door de jaren heen telkens uitgenodigd tot verbeeldingen van tirannie. In zijn bewerking in de jaren 30, kleedde Orson Welles zijn acteurs in kostuums die uitdrukkelijk verwezen naar de uniformen van fascisten en nazi’s. Als er iets ‘universeels’ en ‘toegankelijk’ is aan het stuk, is het onze fascinatie met de tirannie die we steeds toelaten in onze samenleving. Opnieuw en opnieuw, maar niet altijd. Daarom blijven we terugkeren.

Julius Caesar leent zich voor politiek, maar zelfs pure, onbezoedelde esthetiek is geëngageerd. De keuzes die de kunstenaar al dan niet bewust maakt over de toegankelijkheid van zijn werk – hoe begrijpelijk is dit? hoe hermetisch? wie gaan het zien? – zijn een afweging van toelating en uitsluiting. Niet alleen dat: de deelname aan of afwijking van een artistieke traditie is ook een politiek oordeel over alles waar die esthetiek voor staat. Abstractie vervreemdt en is elitair. Pop is vlak, maar toegankelijk. Wagner heeft een orkest, een koor en een smak duiten nodig; Punk bestaat uit drie akkoorden zodat iedereen het kan spelen. Dat is al politieke ballast voordat er één scheldwoord naar de koningin wordt geslingerd.

Kunstenaars die zich niet hoeven bezig te houden met, zoals Micha Wertheim het omschrijft, ‘hoe de verhalen verteld worden’, laten hun bevoorrechte positie in de samenleving doorschijnen. De overtuiging dat je verbeelding los kan bestaan van de werkelijkheid is een luxe, omdat je zo laat blijken hoe je werkelijkheid nooit onlosmakelijk verbonden is geweest met je lichaam. Met je huidskleur en je gender. De ander identiteitspolitiek verwijten, zoals Shriver doet, is tegelijkertijd een verklaring dat jij je niet laat leiden door wie je bent. Dat jij en je fictie kleurloos zijn en je verbeelding onbegrensd.

Die kleurloosheid drukt een ideologische stempel op alle kunst die je vanuit dat perspectief maakt. Je hoeft niet per se geëngageerde kunst te maken, maar zodra kunst gemaakt is neemt het vormen aan die de schepper niet in eigen handen heeft. De betekenis van een kunstwerk ontstaat nu eenmaal in samenwerking met de toeschouwer. Die ligt niet vast, maar wisselt van persoon tot persoon. Daar komt de ‘identiteit’ – de afkomst, het tijdperk en de culturele horizon van de kunstenaar en de toeschouwer – onherroepelijk om de hoek kijken. Die tijdelijkheid is nóóit universeel, al denken we graag van wel.

Als we culturele toe-eigening als voorbeeld nemen: een witte toeschouwer zal mogelijk geen aanstoot nemen aan de voorstelling van andere werelden zoals de witte kunstenaar deze voorlegt, omdat het grotendeels strookt met zijn opvattingen of idee van de werkelijkheid. Maar een zwarte toeschouwer zal kunnen vinden dat-ie uit zijn nek lult, omdat het geen overtuigende, maar mogelijk zelfs een schadelijke weergave is van zijn of haar werkelijkheid. Zouden we namelijk nu nog pleiten voor de vrijheid voor Oriëntalistische stereotyperingen in Robinson Crusoe of Heart of Darkness? Of zelfs de racistische afbeeldingen van zwarte mensen, met hun dikke lippen, ronde vormen en spraakgebreken, in Kuifje, Asterix en Obelix en Suske en Wiske? Werkt Robert Vuijsjes Alleen Maar Nette Mensen anders, of is het vooral subtieler?

Los beschouwd mag iedere kunstenaar met ieder kunstwerk doen wat ze goeddunken. Maar ‘kleurloze’ fictie leeft niet in een vacuüm: het is de zoveelste voortzetting van Westers superioriteitsdenken, een hardnekkig verlichtingsideaal waarin Europa centraal staat en afwijkende stemmen worden verdrukt. Het is een illusie dat de individuele kunstenaar of het losse kunstwerk zich in een ‘neutraal’ gebied kan bewegen. Daarom is de omkering van de term ‘safe spaces’ zo beledigend: het is geen wapenfeit voor aanstellerige individuen die onwelgevallige wereldbeelden willen wegmoffelen. Integendeel: het is een tijdelijke reddingsboei tegen institutionele onderdrukking en uitsluiting. Uitsluiting die óók, of juist vooral, verwezenlijkt wordt door culturele uitingen waaraan zij, door de alomtegenwoordigheid ervan, niet kunnen ontsnappen.

Als kunst de ambitie heeft om via de verbeelding dichter bij de werkelijkheid te komen, dan moet die ook kunnen erkennen wanneer die verbeelding tekortschiet.

Als kunst de ambitie heeft om te troosten en te verzoenen, moet die erkennen wie het daarbij uitsluit en waarom.

Het lekkende zwembad waar Micha Wertheim over spreekt is als het ‘grensgebied’ waar de postkoloniale wetenschapper Homi Bhabha over schrijft in Locations of Culture (1994): een discursieve plaats waar het heersende Europese culturele gedachtengoed gaten begint te vertonen. De werelden die het zo verwoed probeert uit te sluiten, maken zich aan de grens kenbaar. Zwembad Het Avondland lekt niet harder dan ooit, we horen de buren steeds luider klagen. Het wordt tijd we er eens naar gaan luisteren.

Over Pim van den Berg

Geen spatiefouten, maar verder ook niks.

Utrecht https://twitter.com/bvdpim

Reacties